Pepijn van der Gulden, journalist. Meer info

Politicoloog en socioloog, werkt bij Quest. Dat blad vol weetjes.

Denkt, draalt, dwaalt, zo nu en dan ook in tekstvorm – serieus of licht.
Dit is mijn archief. (vroeger was alles beter, maar ik niet)

Mail meStalk me


Nieuws, columns, analyses, gebbetjes

Inhoudsopgave

Navigeer met pijltjestoetsen


Dit stuk is geplaatst op
15/06/2015 om 12:42

Delen delen delen!

Het kan verkeren

Soms zit het tegen. Mijn ketting weet niet hoe het moet, de buschauffeur kent de weg niet en de snelweg snapt zijn naam niet. Alles liep deze week verkeerd in het verkeer.

Het begon met mijn fiets. Dat we samen geen diamanten jubileum zouden vieren, wist ik diep van binnen wel. Het liep al tijden niet gesmeerd tussen ons twee.

Daar had ik me mee verzoend.

In de afgelopen maanden hadden achtereenvolgens het achterspatbord, het voorspatbord én het zadel pardoes mij en mijn fiets verlaten. Maar die vele verliezen zag ik positief. Er kon niks meer kapot, dacht ik. Onze band was extra krachtig doordat deze zo kernachtig was. Dat het zo plots afliep tussen ons beide, kwam daarom als een onwelkome verrassing.

Mijzelf afzettend bij het stoplicht, draaide de ketting plots vederlicht. Vol verbazing over mijn abrupte superkracht viel de gegenereerde snelheid vies tegen. Ik stond gewoon stil.

De ketting ligt er vast af, dacht ik nog. Maar die draaide prima, alleen het wiel deed niet meer mee. Een definitieve breuk met het rijwiel.

Daarom vertrouwde ik mijzelf maar aan de metro toe. Om duizend passen naar het opstappunt over te slaan, nam ik de bus. Een ritje van niks. Twee haltes. Bleek een hele toer.

Toen de busdeuren weer openden, stond ik zeven kilometer verderop. Naast een sloot in een lintdorp. Geen metrostation in de buurt. Halfweg heette het daar, maar Helemaalweg voelde het. Kilometers buiten Amsterdam.

De route was aangepast vanwege werkzaamheden, blijkbaar. Aangepast volgens het principe: we kunnen je niet brengen waar je zijn moet, dan maar waar je ook niet wezen wil.

Vele ontberingen later was ik terug in de bewoonde wereld en gaf ik mijn laatste restje moed aan de auto. Het summum van zelfstandigheid, onbestendige techniek, op niemand anders aangewezen. Niet afhankelijk van eigen kracht of andermans macht. Het onfeilbare verstoken van fossiele brandstoffen.

Drie dagen lang had het trouwe ijzerwerk in de garage op mij gewacht. Gretig stond ‘ie voor me klaar. Maar toen ik de parkeerbon moest afrekenen, schrok ik me al te pletter. Me vergist in het parkeertarief. De getallen pasten nauwelijks op het scherm.

Even overwoog ik of een nieuwe auto geen voordeliger optie was, maar weg moest ik toch. Gegeneerd gaf ik mijn laatste centen uit om het poortje voor me te doen knikken. Een lege portemonnee kon er nog wel bij, maar nu in ieder geval op pad. Razend over de rijksweg. Toch?

Voor ik het wist was ik begonnen aan een uitgebreide vangrailinspectie. ‘Drukste avondspits van het jaar,’ kopte de internetcourant.

Ik heb op menig A-weg de samenstelling van het bitumen uit en te na bestudeerd. Ruim anderhalf uur later dan verwacht arriveerde ik op mijn bestemming.

Daar blijf ik voorlopig op de bank.




Gefeliciteerd, u bent de eerste die deze site heeft uitgelezen! U wint een geheel verzorgde midweek Vlieland. Mail mij met als onderwerp 'Ik heb tijd over' om uw prijs te innen. (enkel geldig als u niet stiekem stukjes hebt overgeslagen!)